laatste update:
24-02-2005:

Uitspraak Afdeling over recht op opvang hangende een rule 39 van het EHRM

commentaar? michel@collet.nu
Reacties en tips kunnen op deze webpagina worden opgenomen, al dan niet anoniem (op verzoek)

Laatste nieuws:

Uitspraak van het EHRM
van 29 juni 2004
volledige tekst

ABRS vindt dat COA wel
aangesproken kan worden voor opvang.

EUROPEES HOF VOOR

DE RECHTEN VAN DE MENS

overzicht van de procedure zoals die leidde tot

de Rule 39 uitspraak van 3 maart 2003

Het verloop:
rule 39: interimmaatregel
ontvankelijkheidsvraag
uitspraak 29 juni 2004

Diverse verwikkelingen:
nasleep bewaring
keuze voor het Europees Hof
discussie over 6 EVRM bij asielzaken

Eten en onderdak tijdens rule 39
aanvullende klacht ivm onthouden opvang
ontwijkend antwoord Nederland
reactie in VOVO hangende fictief bezwaar
uitspraak Afdeling in hoger beroep
(23-2-2005)

Tekstuele inhoud klacht:
schendingen van het verdrag (antwoord 15)
de feiten (antwoord 14)

Overgelegde dossierstukken:
tweede asielprocedure
herzieningsverzoek
eerste asielprocedure

Het vervolg/gevolg en reacties in de pers


HET VERLOOP

Rule 39 request

Op 14 februari 2003 wordt A. In vreemdelingenbewaring geplaatst, met het doel hem uit Nederland te zetten. Ondanks eerdere verzoeken van A. krijgt zijn advocaat dit bericht pas op zondag 16 februari 2003 te horen. Het reeds in voorbereiding zijnde verzoekschrift bij het EHRM wordt versneld ingediend op maandag 17 februari 2003. Op 18 februari 2003 wordt aan de rechtbank verzocht de bewaring op te heffen. Een zitting daartoe wordt gepland op 25 februari 2003. Op 21 februari 2003 wordt de IND gevraagd aan te geven wat hun plannen zijn ten aanzien van de uitzetting, nu een beroep aanhangig is bij het Europees Hof. In een brief aan de Rechtbank van 21 februari 2003 (nadere gronden beroep) wordt daarop eveneens een beroep gedaan. Op 25 februari 2003 wordt in de ochtendzitting duidelijk dat de IND op korte termijn tot uitzetting wil overgaan, want er is een origineel Iraans Identiteitsboekje van A. Tijdens de zitting wordt door de advocaat aangegeven dat er dan weinig anders opzit dan een Rule 39 te vragen aan het Europees Hof. In de namiddag wordt dit verzoek (pg.1 en pg.2) ingediend, welk verzoek nog diezelfde dag wordt beantwoord met de vraag alle overige documenten van de eerste en tweede procedure in te brengen (bijlagen vanaf k). Ook de IND wordt nogmaals gevraagd haar mening te herzien dan wel hun standpunt schriftelijk te bevestigen.

De gevraagde stukken worden woensdag 26 februari toegezonden, per gewone post en een fax als aanknodiging daarvan, waarop meteen telefonisch wordt verzocht dit nog allemaal per fax te verzenden. Die avond, vanaf half zes worden alle stukken doorgezonden samen met de inmiddels schriftelijke verkregen bevestiging dat de IND weigert de uitzetting op te schorten. Op donderdag 27 februari worden per email nog aanvullende vragen gesteld door het Europees Hof die op vrijdagochtend worden beantwoord. Maandagmiddag 3 maart 2003 om half twee wordt een email ontvangen met het bericht dat de fungerend President van de Tweede Sectie van het Hof die ochtend besloten heeft toepassing te geven aan Rule 39 van de Rules of Court in zaak van A. De Nederlandse regering is hierover ingelicht middels email aan de twee bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken werkzame agenten die Nederland vertegenwoordigen in procedures voor het Hof. Op 5 maart 2003, omstreeks 17.00 uur werd de fax ontvangen met de schriftelijke bevestiging.

Intussen heeft de "Chamber" van de "Second Section" besloten de zogenaamde interim measure te handhaven, welk besluit is genomen op 11 maart 2003 en per gewone brief toegezonden.

Rule 39 reprise?

Op 17 februari 2004 is namens de vreemdeling een nieuw verzoek gericht aan het EHRM, omdat de voorzieningen nu definitief dreigen te worden beŽindigd. Eerst heeft Vluchtelingenwerk 7 maanden voor de opvang zorggedragen en daarna is via wat particuliere initiatieven wat geld bij elkaar gesprokkeld. Helaas is nu alles op en meer mogelijkheden liggen niet meer binnen bereik. Vandaar het verzoek. Dit heeft wat opschudding veroorzaakt bij het Hof, verdeeldheid, hetgeen nu tot een tussentijdse oplossing heeft geleid. Door het op 17 februari 2004 indienen van een aanvullende klacht en het vragen om een aanvullende rule 39, welke is afgewezen op 18 februari 2004, moest Nederland nu voor 12 maart 2004 laten weten "what provision is made for the applicant's subsistence, including accomodation".

Nederland heeft gevraagd en gekregen een uitstel van twee weken om te reageren en de reactie is nu op 26 april 2004 ontvangen. Voor 19 april 2004 dient hierop te worden gereageerd. Opvallend is dat Nederland de kwestie heel anders benaderd dan in de klacht en in de vraag van het Hof aan de orde is gesteld. Nederland ziet het kennelijk als een klacht gericht op het argument dat artikel 2 en 3 worden geschonden door het niet bieden van eten en onderdak. Wellicht dat dit dezerzijds dan ook nog maar sterker moet worden benadrukt, want iemand geen recht geven om voor zijn kostje te werken, dat zelfs strafbaar stellen en tegelijkertijd ook geen andere middelen om te overleven beschikbaar stellen, is toch mensonterend? Als zoals in die geval uitzetting niet aan de orde is, dan kan het toch niet zo zijn dat iemand "gedwongen" wordt om alsnog in dergelijke erbarmelijke omstandigheden te leven? Dezerzijds was het verzoek om een aanvullende maatregel te nemen, zodat de eerder getroffen 39 maatregel ook effectief blijft.

Admissibility (ontvankelijkheid)

Op 18 maart 2003 heeft het Europees Hof besloten de zaak te "communiceren" (zoals dat bij het EHRM heet) en de Nederlandse regering van de zaak op de hoogte te brengen. Nederland werd gevraagd te reageren op de zaak en hun standpunt te geven over de ontvankelijkheid en over de klacht in het algemeen hun commentaar uitbrengen. Daarbij zijn tevens drie nadere vragen gesteld, waardoor thans ook alsnog inhoudelijk moest worden gereageerd op de overgelegde bewijsstukken. Ook diende Nederland te reageren op de vraag of er een effectieve remedie heeft bestaan. Hierop mocht A. dan weer reageren waarbij tevens twee nadere vragen moesten worden beantwoord. Zo diende nader te worden omschreven welke rol hij had bij de studentendemonstraties en waarom de overgelegde documenten tot de conclusie moeten leiden dat er sprake zal zijn van schending van artikel 2 en 3 EVRM.

Op 29 april 2003 stuurde Nederland haar "observations" (1,21 Mb/PDF-formaat) in, welke door het Europees Hof zijn doorgezonden aan A. en waarbij aan Nederland is gevraagd om alsnog een vertaling naar het Engels in te dienen. Alhoewel de observations van Nederland veel algemeenheden bevatte, werden nadere nuanceringen, als een soort repliek (Word2000-document), toch vereist geacht. Opvallend was dat een recente uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 april 2003, nr. 200300506/1 werd bijgevoegd, waarbij in een Noord-Koreaanse zaak besloten werd dat nu ter zitting vast kwam te staan dat er sprake was van mogelijke schending van artikel 3EVRM, ondanks artikel 4:6 Awb toch niet uitgezet en dus niet afwijzend beslist mocht worden. Deze is inmiddels ook gepubliceerd en van commentaar voorzien (JV 2003/280 en NAV 2003/160). Omdat deze uitspraak nog onbekend was, tot publicatie, is later met verwijzing naar de inhoud van de commentaren een kopie van die publicaties alsnog nagezonden.

Inmiddels heeft Nederland weer aanvullende stukken ingediend (TBV 2003/24) ten aanzien van de toepassing van artikel 4:6 Awb. A. heeft aangegeven te willen worden gehoord en daarnaast is ook een verzoek gedaan om vanuit het Hof de kosten voor rechtsbijstand toegewezen te krijgen, mede nu de Raad voor Rechtsbijstand de definitieve toevoeging alsnog heeft omgezet in een voorwaardelijke toevoeging.

UITSPRAAK

Op 29 juni 2004 heeft het Hof de klachten alsnog geheel afgewezen. Pagina 14 is interessant om te lezen over de toepasselijkheid van 4:6 Awb bij 3 EVRM. De AC-procedure krijgt daarbij ook de nodige kritiek. De zaak is inmiddels ook in de NAV en de JV besproken.


DIVERSE VERWIKKELINGEN

Nasleep bewaring

Ondanks verzoek daartoe (op maandag 3 maart 2003) weigerde de Rechtbank de Vreemdelingenbewaring onmiddellijk op te heffen, althans de melding van het Europees Hof mee te nemen, het onderzoek ter zitting was immers afgesloten; van de IND kwam helemaal geen reactie. In reactie hierop is op diezelfde maandagnamiddag aan de Rechtbank (met kopie aan de IND) een brief met verzoek verzonden om de zaak omtrent de vreemdelingenbewaring te heropenen omdat anders mogelijke schending dreigt van artikel 5 EVRM. Zowel aan Rechtbank als aan de IND is verzocht om eventuele beslissingen onverwijld aan de advocaat mede te delen. Inmiddels is A. op dinsdag 4 maart 2003 vrijgelaten, omstreeks 18h30.

Op donderdag 6 maart 2003 kwam per telefax de uitspraak van de Rechtbank (van 4 maart 2003) binnen, in dewelke niet werd gereageerd op de eerdere verzoeken en de bewaring niet werd opgeheven. In de faxcover werd aangegeven dat een eerdere verzending in de postkamer was misgegaan en dat om die reden nu de stukken alsnog werden verzonden. In een apart schrijven werd de ontvangst van de brief met het verzoek bevestigd en werd benadrukt dat het onderzoek ter zitting van 25 februari 2003 is gesloten en dat op 4 maart 2003 uitspraak is gedaan. Voor het instellen van een rechtsmiddel werd naar de rechtsmiddelenclausule van de uitspraak verwezen. Een kopie van het aantekening-PV werd conform het verzoek toegestuurd.

Het appel is ingesteld, door de IND is verweer gevoerd en de Afdeling Bestuursrechtspraak heeft het beroep gegrond verklaard op 7 mei 2003. De Afdeling meent dat er wel grond was voor heropening van de zaak, in ieder geval dat een motivering diende te worden gehanteerd aan die ontwikkelingen omtrent de Interim Maatregel. Het schijnbaar niet respecteren van de beslissing van het EHRM leidt thans tot terugverwijzing naar de Rechtbank (thans ook gepubliceerd, JV 2003, afl. 8 van 12-6-2003, nr. 268).

Intussen heeft de Rechtbank op 22 mei 2003 een nieuwe zitting gehouden waar thans alleen nog de vraag aan de orde kwam of en in hoeverre de rule 39 zou moeten leiden tot de conclusie dat er geen recht meer was op uitzetting, althans geen recht meer op vreemdelingenbewaring.

De IND gaf toe dat er wat bureaucratie bij komt kijken om te reageren. De fax zoals die maandagmiddag aan de IND was verzonden, diende eerst te worden geverifieerd bij Buitenlandse Zaken, alwaar bevestigd werd dat het inderdaad klopte, hetgeen uiteindelijk leidde tot de vrijlating op dinsdagavond. De Rechtbank stelde echter ter zitting dat een rule 39 weliswaar de uitzetting tijdelijk opschort, maar dat dit niet inhoudt dat dan ook de bewaring moet worden beŽindigd. Namens A. is betoogd dat een rule 39 net als een bestuursrechtelijke voorlopige voorziening moet worden gezien, waardoor tevens het recht op uitzetting is komen te vervallen.

Omdat zulks op maandag is te kennen gegeven, toegegeven werd dat maandagochtend Nederland, zij het dan Buitenlandse Zaken, officieel op de hoogte was van de interim measure, is tevens een schadevergoeding geclaimd, primair vanaf de datum van inbewaringstelling, subsidiair vanaf maandag. De vraag is dan ook in hoeverre snel genoeg is gehandeld om de onrechtmatige situatie te doen opheffen, want het betoog van de IND was dat het niet sneller kon.

Uitspraak was bepaald op zes weken, maar kwam uiteindelijk op 13 augustus 2003. De rechtbank heeft het beroep alsnog gegrond verklaard en bepaald dat voor de laatste dag, van maandag tot dinsdag een schadevergoeding moet worden bepaald. Liet de Afdeling nog in het midden of er reden was om de bewaring op te heffen, de Rechtbank vond dat het vooruitzicht van een jarenlange procedure, geen zicht op uitzetting met zich meebrengt, zeker nu door het Europees Hof was bepaald dat in die periode geen uitzetting mag plaatsvinden.

De keuze voor het Europees Hof

Omdat in deze zaak niet alleen mensenrechten worden geschonden, maar ook de procesrechtelijke bescherming wordt bedreigd, ondanks artikel 94 Grondwet, waarin is bepaald dat men het recht heeft om een beroep te doen op internationale bepalingen en dat dan de nationaalrechtelijke bepalingen buiten toepassing moeten blijven, biedt het EVRM de meeste mogelijkheden (art. 6 en 13) (zie voor de specifieke klacht: schendingen van het verdrag, hierna).

Het voeren van een EVRM-procedure houdt in dat een vragenlijst ingevuld moet worden en dat tijdig een originele machtiging moet worden overgelegd. Middels een gewone brief kan de procedure al aanhangig worden gemaakt, maar het lijkt toch beter de hele zaak meteen inhoudelijk duidelijk te maken. De vragenlijst moet toch worden ingevuld. Alleen als er te weinig tijd (beroepstermijn is zes maanden) is, kan in eerste instantie worden volstaan met een brief. Meer informatie over internationaal procederen is te vinden in: "Procederen over mensenrechten onder het EVRM, het IVBPR en andere VN-verdragen" van T. Barkhuyzen, M.L. van Emmerink en E.R. Rieter (Ars Aequi, 2002) waarin niet alleen uitleg wordt gegeven hoe te procederen, maar ook tips worden gegeven ten aanzien van de keuze van het rechtsforum.

Aangezien Engels en Frans de voertalen zijn van het Europese Hof, is het hanteren van ťťn van die talen wellicht ook het meest aangewezen. Indien het Nederlands wordt gebruikt, zal dit worden vertaald en wellicht ook samengevat. Indien de stukken in het Engels of Frans zijn ingediend kan dit ook beter door alle rechters worden nagelezen. Het zou niet mogen uitmaken, maar juist in de asielpraktijk waar al zoveel vertaald wordt, is iedere extra omzetting er eigenlijk ťťn te veel.

Dat het Hof grondig te werk gaat, blijkt wel uit de reeds gestelde vragen en opgevraagde documenten. In deze zaak is gekozen voor een beknopte samenvatting van het asielrelaas (zie de feiten, hierna). Omdat alle stukken zijn opgevraagd, lijkt het ook verder niet nodig alles nogmaals uit de doeken te doen. Dat in het verzoekschrift oorspronkelijk alleen de tweede asielprocedure in bijlage werd meegezonden en dan enkel nog de beslissingen en overige processtukken, bleek onvoldoende. Niet alleen diende de rapporten van de gehoren uit de tweede procedure te worden overgelegd, maar ook alle stukken uit de eerste asielprocedure. (zie lijst van overgelgde dossierstukken, hierna)

Het Hof heeft thans een eigen samenvatting gemaakt welke ook terug te vinden is bij de aan partijen gestelde vragen bij brief van 18 maart 2003. Bij die samenvatting blijken ook alle processtukken te zijn betrokken en dus niet alleen hetgeen in het beroepschrift is aangedragen.

Discussie over procederen onder het EVRM

De laatste tijd is er ook discussie gaande tussen advocaten onderling over de mogelijkheden bij het Europees Hof en wordt er ook gesteld dat de hier onderhavige klacht "fouten"zou bevatten. Zulks kan juist zijn. Zo veel ervaring heb ik ook niet met het Europees Hof. Ik diende mij eerst geheel in deze route te verdiepen en toen bleek al hoe weinig praktische ervaring er binnen de asieladvocatuur in zijn geheel is als het op procederen bij Internationale instanties aankomt. Mede daarom is deze website tot stand gekomen, om in ieder geval dit deel van ervaring meteen uit te wisselen en hopende dat die uitwisseling niet eenzijdig is en blijft.

In de Jurisprudentie Vreemdelingenrecht van 1 mei 2003 staat bij JV 191 een noot die ook sterk uithaalt naar advocaten die een beroep doen op artikel 6 EVRM bij asielzaken. Volgens de aldaar aangehaalde stelling dient artikel 6 EVRM in asielzaken ongenoemd te worden gelaten, nu 5 oktober 2000 het Europees Hof in de zaak Maaouia vs Frankrijk (zie JV 2000/264) besloot dat artikel 6 lid 1 EVRM niet van toepassing zou zijn bij beslissingen betreffende binnenkomst, verblijf en uitzetting van vreemdelingen. Die beslissing van het Europees Hof is echter wel met een duidelijke dissenting opinion van rechters Loucaides en Traja tot stand gekomen die beiden van mening zijn dat die interpretatie te beperkend zou zijn en dat artikel 6 EVRM wel degelijk van toepassing is op vreemdelingrechtelijke zaken. Overigens was de noot bij die uitspraak nuancerender voor wat betreft de toekomstige mogelijkheden van artikel 6 EVRM en ik wil er dan ook voor pleiten om juist wel artikel 6 EVRM in asielzaken te blijven noemen, zij het dan met in gedachte de dissenting opinion en alles wat ook in de noot bij JV 2000/264 al staat vermeld.

Het Hof heeft hier in ieder geval de klacht aangaande artikel 6 meteen verworpen en ten aanzien van artikel 13 verworpen nu 3 niet geschonden is. Artikel 2 kwam al helemaal niet in het vizier.


TEKSTUELE INHOUD VAN DE INGEDIENDE KLACHT

Schendingen van het Verdrag (antwoord bij vraag 15)

Articles 6 and 13 of the Convention in the second asylum procedure (no effective remedy) and Articles 2 and 3 in the total asylum procedure (risk of endangerment).

In the second procedure Dutch administrative law has been applied strictly to the asylum procedure. This means that they used article 4:6 of the Algemene Bestuurswet (Abw) to by-pass any control on the content of the request made. They didn't check the claim on article 3 of the Convention, so not respecting article 13 of the Convention, nor article 6. There has never been any effective remedy. The remedy given was not effective because of the nature of the applied law.

The court in high appeal decides that the court didn’t decide wrongly by taking the strict interpretation, or at least that they do not have to decide on this, because in their interpretation the protection of law doesn’t need as such. In the decision of the court is stated that the arrest warrants and other proof is no new evidence or information that can be considered as reason to review the decision in the first asylum procedure. The court finds that this kind of evidence could have been presented in the first procedure, the proof is from July, August and September 1999, while the first asylum procedure is from August 2000, and therefore the IND doesn't have to review its decision.

In the second procedure the fax copies of all the proof, and also the main part of the originals were presented to the Dutch IND. These documents were first sent by fax and later brought to the Netherlands by his mother. It was considered by A. as new evidence to his argument that he is being wanted in Iran; that the Irani Government is indeed in search of him because of the facts as stated by him. The Dutch IND by-passes any check of article 3 EVRM by stating that the evidence should have been brought in earlier, in the first procedure, because in that first procedure it already had become clear that this was important. In that decision of 2000 was stated that it has not been made believable that the authorities were in search of A. because of his activities. Even the first bit of proof, provided in that first procedure, a fax copy of the first arrest warrant, was considered by the Court of no importance, because it was only a copy and it didn’t mention the reason for his wanted arrest.

Because in the first procedure the lack of proof was the reason to deny protection and to give the requested residence permit, and the fact that now original proof was provided, with even factual information on the type of problems, the benefit of the doubt should at least have let to a more profound investigation. By not doing so, articles 2, 3, 6 and 13 have been violated.

De feiten (antwoord bij vraag 14)

A. is asylumseeker. He is already acquainted with the Iranian security police since his youth. His father clearly had problems, and the police came to look for his father on a regular base. In 1995 his father got in real trouble, and they all left the house. They went to their grandmother (on father’s side), and the father left the country and arrived in the Netherlands where he obtained a residence permit and has now Dutch nationality. Short after his father had left the country, the security police came to his grandmother’s house to look for his father. This continued and after the summer, A. and his brother were refused to their school because of the political problems of their father. Also other schools were refusing them. Also changing adress to the grandmother on mother’s side didn’t work. At the end of 1995 the security forces came to arrest his brother H. to put pressure on the father, but because of some luck, his brother could escape and later left for Turkye (1996). The family changed adress again, to an uncle in Bahran. Short afterwards, the security forces traced them again. They kept on threatening mother and the child, and after paying some officials, they managed to leave Iran to Turkey. In Turkey, while waiting for the necessary papers to travel to their father in the Netherlands, H. was arrested and sent back to Iran. Mother and A. decided to go back to. The mother tried to trace the whereabouts of H. and with the help of his uncle, H. was released after several months imprissonment. It was clearly visible that H. had been tortured. He was not released on an official way, so he had to hide himself. Because of all these problems, the mother started to develop psychological problems. A. had to change address and live with his uncle again. It became clear to him that he had no future with the current system, so he decided to fight the system.

It started with small actions violating the property of the government. In the mean time he was having some private lessons when he heard he had to report himself in. He had become older and wasn't considered a child anymore. He decided to hide himself and took cover every week/10 days at some other peoples place. The psychological problems of his mother kept on growing and she has been sent to the hospital. A. became angrier on the Iranian government and the system, although he was not really interested in politics, he was forced his way. This let to his participation in the student demonstration of 8th July 1999 and the days after from the 10th. This became a violent demonstration with fights between students and the security forces. A. has been beaten by the police, and broke his hand. On July the 11th he was beaten against the head, which lead him to the hospital.

Later he heard pictures had been taken during the demonstrations, so they could arrest the demonstrating students. A. thought it was only rumours. These rumours became stronger and more and more students were arrested and disappeared. A. feared more and more for his life, so he decided to leave his country again (7/8 October 1999), to Turkey. There he heard an arrest warrant had arrived at his uncles place. In Turkey he worked to earn money, to continue his trip to the Netherlands, for which he obtained and used a Swiss ID-card, starting on July 17th 2000 in Turkey, arriving on August 3rd 2000 in the Netherlands.

On August 7th the request for asylum has been done and the first asylum procedure started on August 21st 2000. A first interview about personal information, was held on August 22nd. On August 23rd the more profound interview has been given, and A. could tell about his problems and the reasons why he left his country. On August 24th the negative decision has been given to A., stating that they didn't believe his story, and that A. didn't succeed to proof he was being wanted by the Iranian authorities. On August 25th an appeal was filed in court. On September 7th the appeal was handled in court, and the judge decided that the fax copy of the arrest warrants of July 17th and July 22nd 1999 were not enough proof. They were only copies and they didn't mention the reason for the warrant. Also the fact that A. didn't immediately leave his country and stayed some time in Turkey was used against him.

In the months afterwards, A. collected all available information, in originals. His mother came also to the Netherlands and brought all the evidence with her. On July 9th 2001 the Dutch IND was asked to review their initial decision of August 24th 2000. All the proof was presented but their came no reply. On the same day the court was asked to review its decision of September 12th 2000 on base of a Dutch article in the General Administrative Law (8:88 Awb).

The request to the Court was denied on February 15th 2002. They considered the new material not as relevant facts which could be used to reopen the case. The law formulates the requirements for review by the Court very strict: new information, that couldn't not be given before, wasn’t known, but dates from before the decision, and would make a new decision different. The court states that the evidence was not of such kind and it is up to the Dutch IND to review the case. After several letters, finally a letter was sent by the Dutch IND, on June 25th 2002, stating that the request for review has to be made in person, and that A. has to go to one of the asylum centres. An appointment was made immediately and A. was allowed to come on August 2nd 2002.

On August 4th he was allowed to explain the new facts and information, but it lead to the conclusion the information and proof couldn’t be considered as new juridical relevant proof following the Dutch law. Appeals on the Convention and the Refugee treaty were rejected.

This way there has not been taken any study to the case on bases of the given proof and evidence. There has all the time been talked and discussed about the way the proof could be considered, but the Dutch authorities, including the judicial system, considered the proof on bases of the Dutch law and provisions as not allowed. While A. was claiming that this evidence was the proof of his problems and that the Iranian authorities are looking for him, the Dutch authorities didn’t even look at the evidence shown, didn't do any investigation and therefore neglected the reasonable risk that A. will be tortured or even killed on his return. Knowing the general conditions in Iran, considering all the given facts, that claim is solid and should not be set aside as been done in this case.


OVERGELEGDE DOSSIERSTUKKEN

Second asylumprocedure:
a) Decision of the Raad van State, November 8thth 2002, nr. 200204875/1
b) Appeal made against the ruling of the court, September 8th 2002
c) Decision of the Rechtbank, Arnhem, September 6th 2002, reg.nr. AWB 02/60221 en AWB 02/60226
d) Appeal made against the decision of the IND, August 22nd 2002
e) Negative decision on the request of A., made by the IND of August 5th 2002
f) Copy of three letters from the Iranian Security Forces, numbers ending with 13, 109 and 118, giving instructions that should lead to the arrest of A., with translation
g) Copy of four arrest warrants of respectivaly September 11th 1999, August 28th 1999, August 17th 1999 and July 17th 1999, with translation
h) Decision (September 30th 2002) of the Dutch Legal Aid Organisation, Raad voor rechtsbijstand to provide legal aid by lawyer M.A. Collet
i) Letter of A., dated November 20th 2002, asking to make this appeal to the European Court, and undersigned (article 45.3)
j) Authority, article 36, signed by A. and Collet
k) request form (August 6th, 2002) to the court for the appeal, see also under d)
l) corrections on the interview, date August 5th 2002
m) request to the IND of August 4th 2002
n) announcement of the IND (voornemen) of August 4th 2002 with annexe a decision of the Court as example
o) report of the interview (nader gehoor) held on August 4th 2002
p) report of the first interview (eerste gehoor) held on August 3rd 2002
q) letter to the IND for preparation of the second asylumrequest, July 15th 2002
r) invitationletter from the IND for the seond asylumrequest, July 4th 2002

Request for reviewing the first decision:
s) response on request for reopening the case (herziening), June 25th 2002
t) reminder to the IND to the reopening request (herziening) of July 9th 2001, date March 12th 2002
u) reminder to the IND of January 10th 2002
v) reminder to the IND of August 23rd 2001
w) reminder to the IND of July 17th 2001
x) request for reopening (herzieningsverzoek) of July 9th 2001
y) decision of February 15th 2002, sent on March 11th 2002, of the court, Den Haag, on the 8:88 Awb request (herzieningsverzoek) made on July 9th 2001, reg.nr. AWB 01/32014
z) a so called 8:88 Awb request (herzieningsverzoek) to the Court to review their decision of September 12th 2000

Old (first) procedure:
aa) decision of September 12th 2000, sent on September 25th, of the Court, Den Haag, deciding to reject the request made and to deny the appeal (using artikel 33bVw), reg.nr. AWB 00/9527
ab) the request made to court (grounds/motivation) of September 4th 2000
ac) the appeal made to the IND (grounds/motivation) of September 4th 2000
ad) 4 productions belonging to both the appeal and request (see ab en ac)
ae) request form to the court for a provisional measurement (voorlopige voorziening) of August 25th 2000
af) request form to the IND for starting the appeal of August 25th 2000
ag) negative decision of the IND of August 24th 2000
ah) Advice from the side of the Juridical Aid (zwaarwegend advies), August 24th 2000
ai) Corrections on the report of the interview, date August 24th 2000
aj) Report of the Interview (nader gehoor) held on August 23rd 2000
ak) Corrections on the report of the first interview, date August 23rd 2000
al) Report of the first interview (eerste gehoor) held on August 22nd 2000


HET VERVOLG/GEVOLG

En hoe nu verder?

Of dit allemaal nu meteen al het einde betekent van de jurisprudentielijn omtrent artikel 4:6 Awb in het Vreemdelingenrecht, dat valt nog te bezien. Wel zal het hopelijk ook andere rechters wakker maken dat het misschien toch niet alleen de Afdeling is die moet worden gevolgd. Een betere motivering waarom artikel 3 en 8 EVRM niet worden geschonden, noch 13 EVRM zal nodig worden bij een beperkte toepassing van artikel 83 Vw2000 en de uiterst restrictieve toepassing van artikel 4:6 Awb. Het Europees Hof zal haar criteria hierop loslaten en dwingt Nederland nu al te reageren op de stellingen, dus ook op het ingevoerde bewijs dat volgens artikel 4:6 Awb niet meer hoefde te worden meegenomen, van A. waardoor in ieder geval (alsnog) naar de zaak wordt gekeken. De Europese rechters hebben dat ook gedaan maar vervolgens de zaak te licht bevonden. Wel hebben ze kritiek geuit op het inzetten van de AC-procedure bij nieuw bewijs en het toepassen van te formele regels bij dit soort situaties.

Deze zaak heeft wat aandacht gekregen op de radio, naar aanleiding van een artikel in de Volkskrant. Ook in de NRC stond een artikel. Verder heeft het Tweede Kamerlid Griffith van de VVD wel kamervragen gesteld op 17 maart 2003, welke vragen op 15 april 2003 schriftelijk zijn beantwoord door Minister Nawijn.  Op zondag 23 maart 2003 is op de televisie, (Nederland 3, om 16.28 uur, NPS Televisie "Premtime") ook ruim tien minuten aandacht aan deze zaak besteed. De antwoorden van de politici tijdens dit programma waren ronduit zeer afwachtend te noemen, men wilde eerst een inhoudelijk oordeel van het Hof. Intussen heeft Human Rights Watch vernietigend uitgehaald naar de Nederlandse asielprocedure en zij melden ook deze zaak in hun rapport van 9 april 2003 (Vol. 15, no. 3) op pagina 6, als een illustratie dat de effectiviteit van de procedure om bescherming in te roepen uitermate verslechterd is.

De IND is intussen ook rechtstreeks gevraagd om een nader standpunt in te nemen in deze zaak, maar heeft tot nu toe nog niet gereageerd. Net als naar de Pers blijft de IND er het zwijgen toe te doen.


Commentaar of opmerkingen:

Indien U commentaar wenst te geven op deze zaak, eventueel nog adviezen heeft of andere vragen, dan kunt U zich wenden tot mr. M.A. Collet: advocaat@collet.nu

Reacties en tips kunnen op deze webpagina worden opgenomen, al dan niet anoniem (op verzoek)